
Afkomstig uit een vooraanstaand geslacht groeide Ruijs op in een politiek actief gezin. Zijn vader was minister van Justitie en speelde een belangrijke rol bij de eerste sociale wetgeving in Nederland. Na zijn rechtenstudie in Utrecht en Leiden begon Ruijs zijn loopbaan als advocaat en officier van justitie in Maastricht.
Zijn politieke carrière startte in de gemeenteraad van Maastricht en leidde al snel naar de Tweede Kamer. In 1918 werd hij commissaris van de koningin in Limburg, maar nog datzelfde jaar werd hij gevraagd om premier te worden. Hij werd daarmee de eerste katholieke minister-president van Nederland.
Tijdens zijn eerste kabinet kreeg hij direct te maken met enorme uitdagingen: voedseltekorten, de nasleep van de Eerste Wereldoorlog, de Spaanse griep en zelfs een dreigende revolutie. Toch wist hij het land stabiel te houden en belangrijke sociale hervormingen door te voeren, zoals verbeterde arbeidswetten.
Ook in zijn tweede en derde kabinet stond hij voor lastige keuzes, zoals economische problemen na de beurskrach van 1929. Hij moest stevig bezuinigen, terwijl hij tegelijk oog hield voor sociale ondersteuning, wat regelmatig tot spanningen leidde.
Naast zijn politieke werk was Ruijs sterk betrokken bij de samenleving. Hij zette zich actief in voor arbeiders, gezondheidszorg, onderwijs en de positie van katholieken in Nederland. Hij hielp bij de oprichting van organisaties voor arbeiders, ziekenzorg en sociale ondersteuning en werkte nauw samen met sociaal bewogen geestelijken.
In zijn latere jaren bleef hij actief, ondanks een ernstige ziekte. Hij zette zich in voor religieuze en maatschappelijke idealen, zoals de heropbouw van de Abdij van Egmond en steun aan vluchtelingen uit nazi-Duitsland.
Ruijs de Beerenbrouck overleed in 1936, maar liet een indrukwekkende erfenis achter: een politicus die bestuur combineerde met sociale betrokkenheid en een groot gevoel voor verantwoordelijkheid.