Wol is al duizenden jaren een belangrijk materiaal, maar rond 1100 kwam de echte doorbraak. Dankzij het horizontale weefgetouw, een innovatie die de productie flink versnelde, kon er ineens veel meer stof worden gemaakt. Dat zorgde voor een bloeiende handel: wollen laken uit Noordwest-Europa werd zelfs verkocht tot in Zuid-Italië en Syrië. Ook veranderde het werk zelf: waar weven eerst vooral vrouwenwerk was, werd het met de nieuwe techniek steeds vaker een beroep voor mannen.
Vanuit Frankrijk en Vlaanderen verspreidde deze nijverheid zich in golven door Europa. Roermond hoorde bij de Maassteden die rond 1200 snel opkwamen. De groei van de stad hing nauw samen met de bloeiende lakenindustrie: productie en handel gaven Roermond economische kracht.
Roermonds laken werd verhandeld tot ver buiten de regio, in steden als Deventer, Dortmund en Lüneburg. Ongeveer een kwart van de ambachtslieden in de stad werkte direct of indirect in deze sector. Het product zat qua kwaliteit in de middenmoot: niet het allerbeste, maar zeker degelijk genoeg om breed afzet te vinden.
Toch begon in de 15e eeuw de neergang. Goedkopere concurrentie van het platteland en Engels laken drukte de markt. Het gewandhuis verloor zijn functie en volmolens verdwenen. Oorlogen en een grote stadsbrand in 1554 versnelden de terugval.
Daarmee kwam een einde aan Roermond als echte lakenstad, maar de sporen van deze bloeiperiode zijn nog altijd zichtbaar in de geschiedenis van de stad.