1993
In december 1993 sloeg het noodlot toe. Na dagen van aanhoudende regen zwol de Maas ongekend aan. Op 20 december trad de rivier voor het eerst buiten haar oevers, en twee dagen later gebeurde dat op meerdere plekken in Limburg.
Rond Roermond en Venlo liep de situatie volledig uit de hand. Dorpen als Gennep, Itteren, Borgharen en Neer kwamen onder water te staan. Nog nooit stroomde er zoveel water door de Maas: maar liefst 3.120 m³ per seconde.
Ook in België en Frankrijk traden rivieren buiten hun oevers. Luchtbeelden lieten bovendien een zorgwekkende conclusie zien: veel dijken waren zwak en onbetrouwbaar.
1995
Nog geen twee jaar later, begin 1995, dreigde het opnieuw mis te gaan. Hevige regen in Noord-Frankrijk en de Ardennen zorgde voor extreem hoge waterstanden in zowel de Maas als de Rijn.
Overal werden noodmaatregelen genomen. Dijken werden dag en nacht bewaakt, wegen afgesloten en duizenden zandzakken geplaatst door militairen en vrijwilligers. Complete crisisorganisaties draaiden op volle toeren.
Het gevaar was reëel: bij een dijkdoorbraak zouden grote delen van de Betuwe, de Bommelerwaard en het Land van Maas en Waal tot wel vijf meter onder water komen te staan. In veel huizen zou alleen de zolder droog blijven.
Daarom werd een ingrijpend besluit genomen: massale evacuaties. In allerijl brachten bewoners hun bezittingen en vee in veiligheid.
Ook Limburg bleef niet gespaard. Tussen 22 en 28 januari 1995 overstroomden opnieuw delen van de provincie. Vooral Itteren en Borgharen kregen het zwaar te verduren, voor de tweede keer in korte tijd.
De overstromingen van 1993 en de dreiging van 1995 maakten één ding duidelijk: Nederland was nog lang niet veilig voor het water. Ze vormden een wake-upcall die leidde tot strengere dijkversterkingen en een nieuwe kijk op waterbeheer.