Reformatie en contrareformatie
Met het aanslaan van zijn 95 stellingen op de kerkdeur in Wittenberg zette Maarten Luther in 1517 de reformatie in gang: een poging om de katholieke kerk te hervormen. In de decennia daarna raakte de kerk diep verdeeld. Nieuwe stromingen zoals het lutheranisme, calvinisme en de doopsgezinden wonnen snel aan invloed.
Als reactie hierop startte de katholieke kerk de contrareformatie, met als doel het geloof te herstellen en de eenheid te bewaren.
Van Luik naar Roermond
Voor die tijd vielen de gebieden die we nu Limburg noemen onder het bisdom Luik. Koning Filips II besloot dit te herstructureren. Omdat delen van het bisdom Luik wel en andere niet onder zijn gezag vielen, richtte hij een nieuw bisdom op: Roermond, bestaande uit gebieden die wél onder zijn macht vielen.
Met deze ingreep wilde de overtuigde katholiek Filips II voorkomen dat de reformatie zich te sterk in Limburg zou verspreiden. Daarnaast speelde mee dat de prins-bisschop van Luik weinig voorbeeldig was. Als wereldlijk én geestelijk leider leidde hij eerder het leven van een vorst dan dat van een vrome geestelijke.
De komst van Lindanus
In 1561 droeg Filips II de voormalige inquisiteur Wilhelmus Lindanus voor als eerste bisschop van Roermond. Hoewel Lindanus weinig voelde voor een functie in een klein en arm bisdom, stemde hij uiteindelijk toch toe.
Zijn komst werd in Roermond echter niet met enthousiasme ontvangen. De stad kende al langer een aanwezigheid van hervormingsgezinden. Enkele jaren eerder was Thijs van Lin, een van hen, nog op de brandstapel geëindigd. Dat juist een strenge katholiek met een inquisitieverleden nu bisschop werd, zorgde voor weerstand.
Ook de prins-bisschop van Luik verzette zich, omdat hij een groot deel van zijn gebied en inkomsten kwijtraakte. Toch zette Filips II zijn plannen door.
Zijn ambtsperiode
Door de onrustige periode rond de Beeldenstorm van 1566 duurde het tot 1569 voordat Lindanus daadwerkelijk in Roermond aantrad. Hij bleef bisschop tot 1588, toen hij werd overgeplaatst naar Gent, waar hij nog datzelfde jaar overleed.
Dat Roermond hem weinig dierbaar was, blijkt uit het feit dat hij bij zijn overlijden niets naliet aan de stad waar hij zeventien jaar bisschop was geweest.